Welkom op KeesKok.com
Welkom op deze website met informatie over Kees Kok en zijn werk: boeken, artikelen en gedichten.
DE DERDE EMMAÜSGANGER (Lukas 24,13-35) De Brug, Lier B), 18-04-26
Kees Kok
Emmaüs is niet zomaar een dorpje op een paar uur lopen van Jeruzalem. Lukas heeft die plaats met die naam zorgvuldig gekozen om zijn verhaal te situeren. De eerste lezers van zijn evangelie leefden na het rampjaar 70 (na Chr.), na de verwoesting van Jeruzalem en de totale ondergang van de Joodse staat. Israël was toen zelf een soort Gaza anno nu. (Het kan verkeren!). Die lezers koesterden de nog altijd levende, zoete herinnering aan de overwinning die Judas de Makkabeeër ruim twee eeuwen eerder bij Emmaüs behaalde op een enorm Syrisch bezettingsleger. Daarmee lag toen voor de Makkabeese vrijheidsstrijders de weg naar Jeruzalem open (Makkabeeën 3,40vv en 9,50). En in de tijd dat Lukas zijn evangelie schrijft, bevindt zich in hetzelfde Emmaüs een grote legerplaats met vijf legioenen, minstens 30.000 soldaten, onderdeel van de Romeinse bezettingsmacht. Typisch Lukas om die beladen plaats te kiezen voor zijn verhaal over de Emmaüsgangers.
Dat verhaal speelt zich af rond het jaar 33, vlak na Pesach, het Joodse Paasfeest. De Emmaüsgangers waren aanhangers van Jezus van Nazareth op wie ze al hun hoop hadden gevestigd, – de heel concrete, messiaanse hoop dat hij Israël zou bevrijden van de Romeinen, als een nieuwe Judas de Makkabeeër. Maar Jezus was niet de verhoopte bevrijder van Israël geworden. Hij werd door een andere Judas verraden en door de Romeinse overheid geëxecuteerd als een terrorist, samen met twee echte misdadigers.
Wie zijn die Emmaüsgangers? Lukas noemt de naam een van de twee: Kleopas, of Klopas, de tweede blijft anoniem. Wie is Klopas? Geen bekende leerling van Jezus. Maar in het evangelie van Johannes is wel sprake van Maria, de vrouw van Klopas. Die staat samen met twee andere Maria’s – de moeder van Jezus en Maria Magdalena – bij Jezus onder het kruis. Die vrouwen waren hem tot het bittere einde trouw gebleven, in tegenstelling tot de meeste van zijn leerlingen. Ze waren ook nog bij het graf, de grot waarin ze Jezus’ lichaam hadden neergelegd. Maar dat vonden ze leeg.
Maria van Klopas zou dus zomaar de tweede Emmaüsganger kunnen zijn, naast haar man. Ze zijn gedesoriënteerd. Hun ogen zijn overmeesterd door de feiten, verblind door wat ze hebben gezien. Ze gaan terug naar af, naar waar ze vandaan komen, naar huis, naar Emmaüs. Onderweg werpen zij elkaar wanhopige woorden toe. Tegen elkaar? Ruzie? Misschien had Maria in Jeruzalem willen blijven en Klopas niet. Wat moeten ze nu? Moeten ze achter een van de vele nieuwe messiassen aanlopen en zich aansluiten bij de gewapende opstandelingen tegen de Romeinen? Of capituleren voor de Romeinen en misschien zelfs overlopen naar hun legermacht, daar in Emmaüs ?
En dan voegt zich een derde persoon bij hen. Die hoort hun klaagzang aan, en legt ze uit dat ze er met hun slome harten niets van begrepen hebben: als je je eigen boeken, Mozes en de profeten, de Thora, goed leest, zegt hij, dan weet je ‘dat de messias dit alles moest lijden en zijn heerlijkheid binnengaan’ – Met andere woorden: zijn lijden was niet vergeefs.
‘Zijn heerlijkheid binnengaan,’ wat betekent dat? Leven in ‘heerlijkheid’ is menswaardig leven in volle glorie, in vrede en vrijheid. Dat is de bedoeling van het messiaanse project, het masterplan van deze messias voor alle mensen. Dat berust niet op macht en geweld, maar op het door geen enkel regime te ondermijnen vertrouwen, de zekerheid van de hoop dat het anders kan en moet op deze aarde, eerlijker, rechtvaardiger. En dat begint altijd bij jezelf, met het herscheppen van je slome hart en het herademen van je verstand; je moet er voor openstaan en open gaan; je moet het binnen laten, in eigen huis, aan je eigen tafel. Dat doen de Emmaüsgangers. Daarmee begint op de kleinste mogelijke schaal – ‘waar twee of drie bijeen zijn in de Naam’ – het breken en delen op wereldschaal.Precies op het moment dat die onbekende reisgenoot dat breken en delen nog eens voordoet, gaan hun ogen open en herkennen zij hem in dat ritueel van solidariteit, dat ‘sacrament van hoop’. Daar ontwaakt hun ingeslapen droom, licht het verduisterde visioen weer op.
En op datzelfde moment verdwijnt Jezus uit hun ogen. Want is het voortaan aan hen, aan zijn volgelingen, aan ons, om te zijn als hij in deze wereld, om te gaan in zijn geest die geen grenzen kent, geen religieuze, geen nationale: de geest van de menselijkheid. Dat is de crux van het verhaal, van heel het evangelie, van alle vier de evangeliën, elk op hun eigen wijze. Lukas doet dat met zijn verhaal over de Emmaüsgangers. De Messias kan niet blijven, hij zou al gauw een ordinaire machthebber worden, aan wie de slaafse volgelingen al hun eigen verantwoordelijkheden afstaan. Tijdens zijn leven heeft Jezus in woorden en daden uitgelegd hoe hij zijn eigen naam, heel zijn wezen, verbonden was met het grote program dat vervat ligt in de Naam van de God van Abraham, Isaäk en Jakob. En van Jezus.
De Emmaüsgangers worden eropuit gestuurd om dat messiaanse program uit te voeren en zo die Naam te heiligen, te ‘verheerlijken’: te beginnen in Jeruzalem. Zij keren op hun schreden terug naar Jeruzalem, ‘bekeerd’ van hun dwaalwegen, hun slome harten staan weer in vuur en vlam. Hun hartstocht is terug, ze zijn weer verliefd op het visioen, geloven er weer in en nemen hun verantwoordelijkheid. Ze staren zich niet meer blind op wat vroeger was, op de mislukking, waarop heel die Jezus-beweging na diens dood leek vast te lopen.
En vanuit Jeruzalem moet hun verhaal doorklinken tot alle puinhopen en massagraven van deze wereld, in alle steden waar tanks en verraders de dienst uitmaken, overal waar de menselijke waardigheid met voeten wordt getreden.
Nog altijd is de lijst van verwoeste steden, afgeslachte en uiteengeslagen mensen, zo eindeloos, dat onze ogen erdoor overmeesterd dreigen te worden en wij de neiging hebben om op onze schreden terug te keren van onze idealen, en ons te schikken in het onwrikbare onrechtsysteem van deze wereld.
Zo’n 70 jaar geleden, 1956, in de tijd van de Hongaarse opstand schreef de dichter A. Marja schreef een lang met de titel ‘De derde Emmaüsganger’ de volgende regels:
het gaat niet om het dood gaan en daarna
het gaat om het leven als
de leliën des velds om het eten en drinken verdelen
zodat ieder verzadigd wordt en er ruimte komt
voor wat eigenlijk pas leven is:
de bruiloft en het dansen en het vrijen
het luisteren en luieren en leren
en het meetellen van de timmermannetjes
van de hoeren en hadjememaars en vissers
tussen de witgekalkte graven
tussen de spekulanten in en om de tempels
tussen de priesters en professoren
en al die pilatussen
die donders goed beter weten.
Lukas wil ons met zijn verhaal over de derde Emmaüsganger – die dode zoon van een timmermannetje –, vertellen ‘dat het niet gaat om het dood gaan en daarna’, maar om ‘het leven als de leliën des velds’. De aarde biedt brood genoeg voor al wat leeft, voor een ‘heerlijk’ leven in vreugde, ook voor de maatschappelijk minderwaardig geachte ‘timmermannetjes en hoertjes en dichtertjes,’ en ook – zo gaat het gedicht verder: – ‘voor de joodjes en de germaantjes, de hongaartjes en de rusjes, voor de mensjes die gekke wezentjes’.
En hoezeer wensen wij dat vandaag voor joodjes en palestijntjes, rusjes en oekraïentjes, de Soedanezen, Libanezen en Iraniërs – en voor wie niet? – dat ze kunnen leven in vreugde; dat ze kunnen dansen, luisteren en luieren en leren, vrijen, eten en drinken. Dat is de ‘heerlijkheid’ van dat koninkrijk dat maar niet komen wil, maar toch komen zal, komen moet.
Wij zijn in zekere zin allemaal Emmaüsgangers. In hun sporen komen wij telkens opnieuw bijeen om ons te laten ompraten en bijpraten, om onze slome harten te laten reactiveren, ons verstand te laten herademen en om het brood met elkaar te breken. Om ons af te stemmen op waar het in deze wereld op aankomt. Wij zijn altijd op weg in deze wereldwoestijn, ‘door de nacht van de schepping’, met het levende woord dat op ons pad komt en een uitweg wijst, een overkant. Dat levende woord is in de duistere uren nog altijd lichter en eeuwiger is dan de zwartste leugens die overal om ons heen het pleit lijken te winnen. Met dat woord zijn we niet alleen. Er is altijd die ander, ouder, in ons en naast ons en boven ons uit: de derde Emmaüsganger.
HIJ GAF DE GEEST
Pinksteren 2025
Toen onze hoop in wanhoop was vervlogen
– hij in een graf, een grote steen ervoor –
zijn wij naar huis gegaan, droef en bedrogen.
Bevrijding ging aan hoogverraad teloor.
Maar onderweg kwamen wij iemand tegen
die onze weeklachten ter harte nam.
Zijn troostverhalen maakten ons verlegen
en onze trage harten vatten vlam.
Wij nodigden hem uit aan onze tafel
en deelden met hem zegen, brood en wijn.
Daar werd ons zijn geheimenis ontrafeld:
dat hij verdween om ons nabij te zijn.
Wij keerden ijlings terug op onze schreden
naar onze lotgenoten die bevreesd
achter gesloten deuren kaddisj deden.
Hoewel wij wisten, zwegen wij bedeesd.
Toen kwam in storm en vuur bij ons naar binnen
de geest die hij als laatste adem gaf.
Verlamde tongen kwamen weer bij zinnen,
wij stonden op als doden uit hun graf.
En wij naar buiten, toe naar alle volken,
in elke taal konden zij ons verstaan.
Zo is zijn geest die waait als wind en wolken
over de hele wereld heen gegaan.
NOOIT WEER NOOIT
Als generaals over de oorlog spreken
dan trekken zij hun vredigste gezicht
maar op de vrede zijn ze uitgekeken
en oorlog zien ze als een dure plicht.
Ze spreken vurig over massa’s jongens
– en meisjes, want die horen er ook bij –
zij moeten, zoals steeds de ouden zongen,
hun leven offeren voor u en mij
en voor het vaderland, het vrije westen
bereid tot sterven of verminking zijn.
En laat geen pacifist dat feest verpesten
op hun vermeend eeuwige-vrede-plein.
Zo velen stemmen in met deze stemming,
de machtigen en zwakken, arm en rijk.
Verstandigen en dommen, zonder remming
geven gewichtig van ‘verplichting’ blijk.
De wapenhandel staat te likkebaarden
zijn koersen stijgen naar een hoog niveau
het streefgetal der doden stijgt in waarde
A.I. speelt in dat spel eerste viool.
Het zwaard wordt weer met graagte opgenomen
om oren af te slaan, ogen verblind.
Dat wie zo doen ook door het zwaard omkomen,
dat slaat men graag als dwaasheid in de wind.
Een nieuwe oorlog staat naar ons te wenken,
miljoenen doden, steden plat gegooid.
Dat zullen we daarna weer vroom gedenken,
en prevelen: dat nooit weer nooit weer nooit.